menu
menu

fiets / fietscultuur / Fietslessen / Fietsparticipatieladder / Fietsstimulering / Gedragsverandering / Mobiliteitswensen / Motiliteit

Meedoen op de fiets

Jezelf met de fiets verplaatsen is goedkoop en gemakkelijk en bestemmingen tot op zo’n vijf à zeven kilometer afstand, noemen we bestemmingen op fietsafstand. Met de komst van de elektrische fiets is gebleken dat dit begrip tot boven de tien kilometer opgerekt kan worden. Toch kunnen we er, ondanks het hoge fietsgebruik in Nederland, niet vanuit gaan dat meedoen op de fiets op de korte afstanden voor iedereen gemakkelijk of vanzelfsprekend is.

Zo zijn er mensen met gezondheidsproblemen, die de mogelijkheden van nieuwe type fietsen niet kennen of niet kunnen betalen. Er zijn mensen die nog nooit gefietst hebben en er zijn mensen die zich er werkelijk geen voorstelling van kunnen maken dat fietsen iets voor hen zou kunnen zijn. Dit zijn heel verschillende soorten barrières voor het meedoen op de fiets. Nadenken over fietsstimulering voor deze groepen mensen vraagt een andere benadering dan bijvoorbeeld de wat algemener fietsstimulering onder werknemers. Bij deze groepen gaat het niet om het verleiden uit de auto op de fiets. Het gaat hier om het scheppen van mogelijkheden, het leren van nieuwe vaardigheden en het openen van mentale deuren.

Om onze klanten binnen en buiten Nederland te helpen nadenken over hoe we kansen kunnen creëren voor deze groepen, die nu nog niet meedoen op de fiets, werken wij met de Fietsparticipatieladder. Dit is een instrument dat zichtbaar maakt welk type barrières (groepen) mensen ervaren ten aanzien van het meedoen in de samenleving op de fiets. Ook kan de mate waarin deze barrières een rol spelen gescoord worden op de ladder. De theoretische basis voor de fietsparticipatieladder wordt gelegd door het begrip motiliteit, dat begin jaren 2000 geïntroduceerd werd door onder andere Vincent Kaufmann. Het begrip wordt in de literatuur gebruikt wanneer we het hebben over potentiële mobiliteit, de activiteitenlocaties die mensen in potentie kunnen bereiken. Naast de geografische context (de omgeving) is er aandacht voor de sociale context van (groepen) mensen.

De motiliteit van een persoon, de potentiële mobiliteit, wordt bepaald door drie samenhangende elementen (zie figuur 1). De toegankelijkheid van een vervoerssysteem is het eerste element, hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voertuigbezit, of geld om een kaartje te kopen. Het tweede element is competenties, de kennis en vaardigheden, van potentiële gebruikers ten aanzien van het vervoerssysteem. Het derde element is toe-eigening, de mate waarin de potentiële gebruikers zich het vervoerssysteem mentaal eigen gemaakt hebben. Wanneer een van de elementen ontbreekt of minder sterk ontwikkeld is, heeft dat een beperkend effect op de mogelijkheden en actieradius van een persoon.

Om dit theoretisch begrip bij onze adviezen in de praktijk te kunnen gebruiken, vertaalden we de drie elementen van het begrip motiliteit naar de modaliteit fietsen. Om te kunnen kiezen voor de fiets spelen drie zaken een hoofdrol: men moet kunnen fietsen in het lokale verkeer, men moet een passende, werkende fiets tot zijn of haar beschikking hebben en men moet zich de fiets eigen gemaakt hebben. Dat laatste betekent dat een persoon of groep personen zo positief tegenover de fiets staat, dat men denkt “Fietsen, dat past bij mensen zoals ik.” Daarnaast gaat het bij de toe-eigening van de fiets ook om het hebben van concrete aanleidingen om de fiets te gaan gebruiken; redenen om te fietsen.

Figuur 1: De drie samenhangende elementen die samen de motiliteit (de potentiële mobiliteit ) van een persoon of groep personen bepalen.

Voor professionals kan het een behoorlijke uitdaging zijn om zich te verplaatsen in mensen die barrières ervaren waardoor zij één of meerdere van bovengenoemde elementen niet tot hun beschikking hebben. Doordat de meesten van ons van kleins af aan hebben leren fietsen en altijd een fiets tot onze beschikking hebben gehad, kan het moeilijk zijn je een voorstelling te maken van hoe het is om niet te kunnen fietsen of zich geen fiets te kunnen veroorloven. Het kan ook zijn dat er gedacht wordt dat bepaalde groepen niet fietsen omdat het niet in de cultuur zit, gecombineerd met de aanname dat cultuur niet kan veranderen.

Om voorbij dit soort aannames en oordelen te kunnen komen, kan het helpen om zich een concrete voorstelling te gaan maken van de stappen die er gezet moeten worden om barrières te overwinnen. Dan kan er op termijn immers wel meegedaan worden met de fiets. Het gaat erom de stappen te identificeren die personen zelf kunnen zetten om hun barrières te overwinnen en dan de voorwaarden helder te krijgen die overheden en lokale organisaties kunnen scheppen om dit mogelijk te maken. Daarbij helpt onze fietsparticipatieladder.

Als voorbeeld gaan we hier in op het element competenties. Competenties zijn de vaardigheden en kennis die iemand heeft. In dit geval gaat het om fietsvaardigheden en verkeerskennis en andere aspecten zoals de kennis van de omgeving en de vaardigheid om routes te onthouden en de weg te kunnen vinden. Voor dit voorbeeld focussen we op de fiets- en verkeersvaardigheden. Iemand die wat betreft competenties onderaan de fietsparticipatieladder staat, kan helemaal niet fietsen. Iemand die bovenaan de ladder staat kan fietsen in het verkeer. Daartussen kunnen verschillende stappen onderscheiden worden en iedere stap is een nieuwe sport van de fietsparticipatieladder. In figuur 2 is deze uitgewerkt.

Figuur 2: De fietsparticipatieladder uitgewerkt naar het element competenties.

De opeenvolgende tussenstappen ‘kan fietsen op een afgesloten parcours’, ‘kan fietsen in een park’ en ‘kan fietsen in een rustige straat’ vragen steeds meer of steviger vaardigheden en kennis van iemand. Dit is waar de persoon of groep personen zelf aan kunnen werken om hun barrières te overwinnen. Waar het mensen niet lukt om dit voor zichzelf te organiseren, kunnen overheden en lokale organisaties een handreiking doen. Zij kunnen bijvoorbeeld fietslessen aanbieden of veilige plekken organiseren waar mensen een fiets kunnen lenen en zelf kunnen oefenen, al dan niet met de hulp van familie of vrienden. Zij kunnen bijvoorbeeld ook laagdrempelige fietstochten naar een nabijgelegen park organiseren.

Voor de andere twee elementen van fietsmotiliteit (toegang tot het fietssysteem en toe-eigening van de fiets), kan de fietsparticipatieladder ook concreet ingevuld worden. Hiermee biedt de ladder een aansprekende manier om na te denken over hoe groepen mensen, die verder van het vanzelfsprekende gebruik van de fiets af staan, ondersteund en verleid kunnen worden om ook mee te gaan doen op de fiets. In het afgelopen jaar hebben wij met succes in verschillende projecten gewerkt met deze fietsparticipatieladder en wij kijken uit naar nieuwe projecten waarin dit een rol kan spelen.

Heb je een uitdagende opdracht die bij deze manier van denken past? Wil je sparren om te kijken of de fietsparticipatieladder ook in jouw project iets kan betekenen? Of ben je benieuwd naar manieren waarop de elementen ‘toegang tot het fietssysteem’ en ‘toe-eigening van de fiets’ vertaald kunnen worden naar de fietsparticipatieladder?

Dan horen we het graag!

Angela van der Kloof

‘Stimuleren van het gebruik van de fiets is een mooi instrument om bereikbaarheidsdoelstellingen te halen en tegelijkertijd bij te dragen aan gezondheid, participatie en de kwaliteit van de leefomgeving.’

Strategisch adviseur mobiliteit
a.vanderkloof@mobycon.nl
(06) 333 056 28

Gerelateerd