[16-05-2007]
Column van Frank Strolenberg, projectleider Belvedere
Op dit moment gaat er politiek veel aandacht uit naar de 40 probleemwijken die prachtwijken moeten worden. Wat mij betreft moet het zo snel mogelijk gaan over de vraag wat we concreet kunnen doen in zo’n wijk. “Dat is toch niet mijn pakkie-an?” denkt u wellicht. Dat zou ik jammer vinden. Want vanuit de optiek van het verkeer kan er een hoop worden bijgedragen aan de kwaliteit van de openbare ruimte en daarmee aan de leefbaarheid van wijken. Openbare ruimte verbindt. Niet alleen tussen gebouw A en gebouw B, maar ook in de vorm van sociale (ver)binding tussen mensen. En dat geldt niet alleen voor de pleinen en parken in de openbare ruimte, maar ook voor wegen. Wegen zijn van oudsher plekken waar mensen ‘verkeren’: van A naar B gaan, maar ook elkaar ontmoeten. Dat was in de prehistorie zo en op sommige plekken op het platteland en in de stad geldt dat nog steeds. Maar op veel plekken is die weg als ontmoetingsruimte naar het derde plan geschoven ten koste van mobiliteit en veiligheid. Nobele doelen waar op zichzelf niets mis mee is; integendeel, maar er is wel scheefgroei ontstaan. Niet-autogebruikers zijn naar de randen van steeds breder en eenvormiger wordende wegen geduwd. Bovendien vormen wegen in steden vaak ook een daadwerkelijke barrière tussen het ene en het andere deel van een wijk. Soms is dat onvermijdelijk, maar het komt de leefbaarheid en het sociale verkeer nooit ten goede. Ga maar eens kijken in die 40 wijken.
Nog meer nieuwe, puur verkeerstechnische oplossingen, met een overheersende focus ten gunste van het belang van mobiliteit en veiligheid lijken steeds vaker aan draagvlak te verliezen, omdat de menselijke maat is zoek geraakt. Het is dan ook noodzakelijk om infrastructuur in te bedden in een breder perspectief: in het ruimtelijk ontwerp van een plek, van de lokale of regionale context. Dat vraagt om een inhoudelijke visie en een politieke keuze over de ruimtelijke functie van een gebied of een stadsdeel of een wijk, over de samenhangende ontwikkeling van infrastructuur en omgeving; een visie en een keuze die vooraf moeten gaan aan het ontwerp en de verkeerskundige (her-)inrichting van wegen.
Cultuurhistorie, de kennis van de ruimtelijke geschiedenis van een stad of straat of plein, kan daarvoor munitie opleveren en kan als verbinding optreden tussen belangen en partijen. Want de historische ontwikkeling en identiteit van een wijk bieden aanknopingspunten over wat belangrijk gevonden wordt en hoe je daar ruimtelijk mee om moet gaan; aanknopingspunten óók voor de inrichting van de wegen.
U moet maar eens goed gaan kijken wat de rol van de wegen is geweest in het ontstaan van de problemen in de prachtwijken. Dan weet u ook welke kans er voor de verkeerskundige ligt om een concrete bijdrage te leveren aan de oplossing van die problemen. Dan kunt u zich ook met recht en rede sociaal-cultureel werker gaan noemen.