[16-02-2011]
Bij de verdeling van de capaciteit op het spoorwegnet krijgt het langeafstandsvervoer prioriteit, terwijl de congestie zich juist voordoet op de afstanden tot veertig kilometer rond de steden. Vooruitlopend op de naderende gunning van het hoofdrailnet roept Railforum, de vereniging van bedrijven en organisaties in de railsector, op tot meer aandacht voor regionale treindiensten.
Dat veel ooit kwijnende regionale spoorverbindingen wel degelijk levensvatbaar zijn, is de afgelopen jaren gebleken. Veel regionale lijnen boeken door de inzet van modern materieel, hogere frequenties en een betere presentatie groeicijfers van tientallen procenten. Zie bijvoorbeeld de zes spoorlijnen in Groningen en Friesland en de Maaslijn in Noord-Limburg.
Probleem is dat dit alleen gebeurt op de lijnen die onder verantwoordelijkheid van de provincies vallen. Op het hoofdrailnet waar NS heer en meester is, geldt voor de regionale (stop)trein het devies ‘achter aansluiten’. Zoals Bas Govers van ingenieursbureau Goudappel Coffeng het onlangs op een seminar van Railforum uitdrukte: ‘Het talent van het regionaal spoor komt er op het bestaande speelveld niet uit.’
Dat speelveld moet daarom veranderen, betogen zowel opdrachtgevers als vervoerders. Met de naderende gunning van de concessie voor het hoofdrailnet in zicht is de tijd rijp, en als het nu niet gebeurt zit de zaak weer voor tien of vijftien jaar dichtgetimmerd. Ze pleiten ervoor om het samenrijden van treinen van regionale vervoerders met de treinen van NS op het hoofdrailnet mogelijk te maken. Meer (stop)treinen rond de grote steden dragen bij aan een betere bereikbaarheid, want de meeste files staan op de stedelijke toevoerwegen.
Nu is er alleen in een paar ‘onvermijdelijke’ gevallen sprake van samenloop, zoals de treinen van de Valleilijn (Ede-Wageningen – Amersfoort), die tussen Barneveld Noord en Amersfoort over het hoofdrailnet rijden. Zowel vervoerder Connexxion als opdrachtgever Gelderland willen aan beide uiteinden graag doorrijden naar Arnhem en Utrecht, omdat veel van de reizigers daarheen moeten. Daar wordt over gepraat, aldus Connexxion-directeur Bruno Bruins, maar het gaat erg langzaam. ‘Het probleem is dat de aanbestedingen nu in een heel strak keurslijf zitten. Er is meer flexibiliteit nodig om gedurende de looptijd van een concessie op nieuwe ontwikkelingen in te kunnen spelen.’ Andere kandidaten voor samenloop zijn Groningen – Assen (doortrekken van de trein van Arriva uit Leeuwarden) en Enschede – Zwolle (doortrekken van de trein van Deutsche Bahn uit Münster).
Het argument tegen dergelijke manoeuvres is meestal dat samenloop volgens de huidige wetgeving niet mogelijk is: concurrentie op het spoor is niet toegestaan. Otto Cazemier van Mobycon ziet dat anders. Niet de huidige wet- en regelgeving vormt het probleem, maar er is in de concessies – die immers het exclusieve recht geven om een bepaald baanvak te rijden – te weinig mogelijk. Volgens Cazemier moet je samenloop niet beschouwen als concurrentie, maar vullen de intercity van NS en de stoptrein van de regionale vervoerder elkaar juist aan. Zijn voorstel: laat private vervoerders in voorkomende gevallen opereren als onderaannemer van NS.
Ter voorbereiding op de gunning van de concessie voor het hoofdrailnet vanaf 2015 loopt nog een onderzoek naar de omvang daarvan. Minister Eurlings gaf vorig jaar opdracht om te kijken of het zinvol is om delen van dat net onder verantwoordelijkheid van de decentrale overheden te brengen. Het is al lang duidelijk dat er niet ernstig zal worden gemorreld aan de omvang van het hoofdrailnet, maar het is niet onwaarschijnlijk dat wordt voorgesteld meer mogelijkheden tot samenloop te creëren. Dat biedt kansen voor wat Bruins – niet geheel vrij van eigenbelang – bepleit: geef meer ruimte aan private bedrijven op het spoor. ‘Deelname van private partijen dwingt de politiek om projecten door te zetten. Betrek vervoerders meer bij de ruimtelijke ordening rond stations en haltes, dat vergroot hun betrokkenheid.’ Railforum komt later dit jaar met een uitgewerkt voorstel voor de omgang met het regionale railvervoer.
Wilt u meer informatie, dan kun u contact opnemen met Otto Cazemier via (038) 422 57 80.