[05-08-2010]
10 jaar na de decentralisatie liggen nieuwe kansen op het spoor open
Tien jaar na de decentralisering van het Nederlandse spoorwegnet is het Nederlandse regionale spoorvervoer tot een nieuwe bloei gekomen. De reizigersaantallen groeien en de klantwaardering stijgt. Kunnen we de kennis die voortkomt uit deze successen inzetten op het hoofdrailnet?
In 1999 zijn, door het toenmalige kabinet ,33 spoorlijnen aangewezen om te decentraliseren. Dit zijn spoorlijnen die niet gekoppeld zijn aan het hoofdrailnet. Bovendien is er een duidelijke scheiding gekomen in exploitatie van vervoersdiensten en beheer en onderhoud van infrastructuur, dat we kennen als het huidige ProRail. Inmiddels zijn 23 spoorlijnen gedecentraliseerd naar de regionale overheden in het land.
Tien jaar later kunnen we constateren dat deze regionale vervoerders tegen een relatief lage dienstregelingsuurprijs een hoogfrequente verbinding weten aan te bieden. Het aantal reizigers is gegroeid en de kwaliteit van de vervoersdiensten wordt positief gewaardeerd in de OV-Klantenbarometer. Door deze reizigerstoename nemen de reizigersinkomsten ook toe. De vervoerders zijn in de meeste gevallen opbrengstverantwoordelijk en verdienen door meer reizigers ook meer geld. Ook voor de overheid kunnen we constateren dat de overheidskosten voor de regionale spoorlijnen in verhouding sterk verminderd zijn. De decentrale overheden ontvangen van het Rijk de zogenoemde brede doeluitkering, die wordt ingezet om het openbaar vervoer in de regio te financieren. Door decentralisatie zijn de regionale overheden tevens verplicht de spoorlijnen Europees aan te besteden. Dit is nog anders bij het hoofdrailnet, uitgevoerd door NS.
De successen op het gedecentraliseerde spoor zetten Nederland voor een volgende uitdaging. Er zijn nog veel lijnen die veel potentie hebben of kunnen hebben wanneer deze lijnen door decentrale overheden uitgevoerd mogen worden. Concreet spreken we hier over de lijnen die een sterke regiofunctie (kunnen) hebben en onder het hoofdrailnet vallen. Als we bijvoorbeeld kijken naar de situatie rondom Arnhem zijn dit de lijnen naar Ede/Wageningen, Zutphen en Nijmegen/Wijchen. Momenteel worden deze lijnen conform de afspraken in het hoofdrailnet door NS uitgevoerd. Echter, hier liggen kansen. Zoals eerder aangegeven heeft decentralisatie en uitvoering door regionale vervoerders geleid tot successen. Door medegebruik van het hoofdrailnet verder uit te werken in samenwerking met decentrale overheden en goed te kijken naar een evenwichtige capaciteitsindeling op het spoor kunnen we constateren dat er nog heel veel potentiële reizigers te verleiden zijn in de regio. De uitdaging ligt er, over het resultaat rapporteer ik u graag over tien jaar weer.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met adviseur Wouter de Jong.
In 1999 zijn, door het toenmalige kabinet ,33 spoorlijnen aangewezen om te decentraliseren. Dit zijn spoorlijnen die niet gekoppeld zijn aan het hoofdrailnet. Bovendien is er een duidelijke scheiding gekomen in exploitatie van vervoersdiensten en beheer en onderhoud van infrastructuur, dat we kennen als het huidige ProRail. Inmiddels zijn 23 spoorlijnen gedecentraliseerd naar de regionale overheden in het land.
Tien jaar later kunnen we constateren dat deze regionale vervoerders tegen een relatief lage dienstregelingsuurprijs een hoogfrequente verbinding weten aan te bieden. Het aantal reizigers is gegroeid en de kwaliteit van de vervoersdiensten wordt positief gewaardeerd in de OV-Klantenbarometer. Door deze reizigerstoename nemen de reizigersinkomsten ook toe. De vervoerders zijn in de meeste gevallen opbrengstverantwoordelijk en verdienen door meer reizigers ook meer geld. Ook voor de overheid kunnen we constateren dat de overheidskosten voor de regionale spoorlijnen in verhouding sterk verminderd zijn. De decentrale overheden ontvangen van het Rijk de zogenoemde brede doeluitkering, die wordt ingezet om het openbaar vervoer in de regio te financieren. Door decentralisatie zijn de regionale overheden tevens verplicht de spoorlijnen Europees aan te besteden. Dit is nog anders bij het hoofdrailnet, uitgevoerd door NS.
De successen op het gedecentraliseerde spoor zetten Nederland voor een volgende uitdaging. Er zijn nog veel lijnen die veel potentie hebben of kunnen hebben wanneer deze lijnen door decentrale overheden uitgevoerd mogen worden. Concreet spreken we hier over de lijnen die een sterke regiofunctie (kunnen) hebben en onder het hoofdrailnet vallen. Als we bijvoorbeeld kijken naar de situatie rondom Arnhem zijn dit de lijnen naar Ede/Wageningen, Zutphen en Nijmegen/Wijchen. Momenteel worden deze lijnen conform de afspraken in het hoofdrailnet door NS uitgevoerd. Echter, hier liggen kansen. Zoals eerder aangegeven heeft decentralisatie en uitvoering door regionale vervoerders geleid tot successen. Door medegebruik van het hoofdrailnet verder uit te werken in samenwerking met decentrale overheden en goed te kijken naar een evenwichtige capaciteitsindeling op het spoor kunnen we constateren dat er nog heel veel potentiële reizigers te verleiden zijn in de regio. De uitdaging ligt er, over het resultaat rapporteer ik u graag over tien jaar weer.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met adviseur Wouter de Jong.