logo

Bereikbaar en leefbaar Overijssel door vraaggericht investeringsprogramma fiets


[01-03-2011]
Verschenen in Verkeerskunde 1 2011, auteurs Klaas Veenma en Remco de Goederen, provincie Overijssel / Charlotte van Barneveld en Ronald Jorna, Mobycon / Bas Scholten, Ecorys

Focus op de utilitaire fiets

Volgend op het provinciale Programma Fiets, formuleerde de provincie Overijssel met partners een praktisch toepasbaar en maatschappelijk kosteneffectief investeringsprogramma voor de fiets. Daarmee wil de provincie de komende 15 jaar een blijvende impuls geven aan de fiets. En mede daarmee de bereikbaarheids- en leefbaarheidsambities behalen. De focus ligt op het tegemoet komen aan de vraag van de utilitaire fietser.

De provincie Overijssel kent een hoog fietsaandeel en staat ook al jaren in de top 3 van fietsprovincies. Om dit fietsaandeel niet alleen hoog te houden, maar ook structureel in te zetten als sturingsmiddel in het automobiliteitsbeleid, heeft de provincie met regionale partners en de hulp van de onderzoeksbureaus Mobycon en Ecorys op systematische wijze invulling gegeven aan het provinciaal fietsbeleid voor de periode 2010-2025. De focus ligt daarbij op een vraaggerichte aanpak van het utilitair fietsverkeer. Resultaat is een maatschappelijk kosteneffectief maatregelenpakket, dat het fietsgebruik in Overijssel een structurele impuls geeft. De methodiek is niet alleen theoretisch goed onderbouwd, het is ook een praktisch hulpmiddel dat resulteert in concrete maatregelen en afspraken over (co)financiering. De provincie ambieert om bij een groeiende automobiliteit het aandeel fiets in het buitengebied vast te houden en in het stedelijk gebied te vergroten. Belangrijk onderdeel hierbij vormen mensen die voor werk, school of winkelen gebruik maken van de fiets: het utilitair fietsverkeer. In het coalitieakkoord zijn middelen vrijgemaakt om deze ambitie te realiseren. Deze ambitie is nu vertaald in een investeringsprogramma voor het utilitair fietsverkeer voor de periode 2010-2025 en een uitvoeringsprogramma voor 2010 en 2011. Het is daarmee een vervolg op het Programma Fiets 2009-2011.

Randvoorwaarde vraaggericht
Belangrijke randvoorwaarde voor de fietsambitie is dat er niet alleen wordt geïnvesteerd in infrastructuur, maar ook in verbetering van de rol van de fiets in de keten en dat gebruik wordt gemaakt van de kracht van promotie(campagnes). Dit betekent dat er meer dan in het verleden rekening wordt gehouden met de wensen van de gebruikers (‘vraaggericht’). Daarnaast is het van belang dat niet alleen wordt geïnvesteerd in gebruik van de fiets in de steden, maar ook in de streekcentra en het landelijk gebied in het westelijk deel van Overijssel (de regio Twente is verantwoordelijk voor het fietsbeleid in Twente).

De aanpak
Om te komen tot een maatschappelijk kosteneffectief en vraaggericht maatregelenpakket gericht op stimulering van het utilitair fietsverkeer, zijn de volgende stappen doorlopen:
1. Vaststellen van kansrijke fietsrelaties, belangrijke bestemmingen en -ketenrelaties op basis van criteria.
2. Inventarisatie van mogelijke maatregelen.
3. Selectie van kosteneffectieve maatregelen.
4. Integrale afstemming van individuele maatregelen met bestaand provinciaal en gemeentelijk beleid.
5. Zoeken naar samenhang en synergie van maatregelen.
6. Vaststellen rol provincie en gemeenten en wijze van financieren.
Stap 1: Selecteren van kansrijke fietsrelaties
Hiervoor zijn gegevens gebruikt over pendelstromen voor woon-werk en middelbare scholieren tussen kernen in west Overijssel. In eerste instantie is op basis van criteria, zoals de grootte van een kern (minimaal 2500 inwoners), een ‘longlist’ van 42 kansrijke relaties opgesteld. Vervolgens is op basis van de omvang van de stroom, de reisafstand en de reistijdverhouding auto/fiets een kwalitatieve score toegekend aan de 42 kansrijke relaties. De 13 hoogst scorende en daarmee meest kansrijke fietsrelaties (de ‘shortlist’) zijn vervolgens meegenomen in het vervolg van het onderzoek. Aan deze 13 relaties zijn belangrijke bestemmingen en ketenrelaties toegevoegd, zoals ziekenhuizen, kantoorlocaties, maar ook (trein)stations en de belangrijkste ov-haltes.

Voorbeeld stap 1
De relatie Zwartsluis-Genemuiden scoort laag, want het gaat hier om een beperkte dagelijkse pendelstroom. De afstand is kort. De mensen die kunnen fietsen, zullen hier al grotendeels fietsen. De verwachting is dat maatregelen weinig zullen bijdragen aan het stimuleren van utilitair fietsgebruik. De relatie tussen Dalfsen en Zwolle scoort daarentegen  hoog, omdat het hier om een aanzienlijke pendelstroom gaat en een afstand van zo’n 15 kilometer. Een afstand die goed te fietsen is, maar waar mensen moeite voor moeten doen.

Stap 2: Inventarisatie mogelijke maatregelen
Samen met partners (gemeenten, ondernemers, fietsers) zijn tijdens een bijeenkomst voor de geselecteerde relaties en bestemmingen, mogelijke knelpunten en kansen geïnventariseerd. Bijvoorbeeld een slecht verlicht deel van een fietstraject (knelpunt) of het promoten van een aantrekkelijke en snelle fietsroute (kans). Daarnaast is op basis van (inter)nationale literatuur een groslijst van mogelijke maatregelen opgesteld, zoals dynamische fietspadverlichting of het fietsvriendelijker maken van (fiets)tunnels. In bilaterale overleggen met gemeenten is hierna dieper ingegaan op de kansen en knelpunten voor het stimuleren van het fietsgebruik op de geselecteerde relaties en bestemmingen in de betreffende gemeente. Mede op basis van lokale kennis zijn vervolgens maatregelen benoemd, afgezet tegen de kansen en knelpunten.

Voorbeeld stap 2
Een mogelijke maatregel die aansluit bij een kansrijke relatie (Dalfsen-Zwolle) en een belangrijke bestemming (bedrijventerrein Marslanden) is het belonen van werknemers met ‘fietsmiles’ die vanuit Dalfsen naar het bedrijventerrein de Marslanden in Zwolle fietsen. Dit is een maatregel uit de groslijst, waarvan ook de gemeente Dalfsen denkt het fietsgebruik te kunnen stimuleren.

Stap 3: Selectie kosteneffectieve maatregelen
De eerder geselecteerde, mogelijke maatregelen worden beoordeeld op hun maatschappelijke kosteneffectiviteit. Het betreft hier een kwalitatieve beoordeling (expert opinion) door Ecorys en Mobycon. Per maatregel wordt gekeken of de maatregel bijdraagt aan het verbeteren van de eerder genoemde beleidsdoelen, en zo ja, in welke mate (score op een schaal van 1 tot 4):

- Bereikbaarheid: hoe meer utilitair fietsen en hoe minder autogebruik, des te hoger de score.

- Leefomgeving: minder uitstoot/energieverbruik, diefstal of wild geparkeerde fietsen.

- Sociale vitaliteit: beschikbaarheid/waardering fietsroutes naar en stallingsvoorzieningen bij dagelijkse bestemmingen/overstappunten. Daarnaast is – vanuit het uitgangspunt ‘vraaggerichtheid’ – gekeken in hoeverre de maatregelen zijn afgestemd op de doelgroep (utilitaire fietsers) en in hoeverre er een relatie is met de genoemde kansen en knelpunten. Per maatregel is vervolgens de gemiddelde score bepaald voor bovengenoemde aspecten, en deze is vervolgens opgeteld bij de score ‘indicatie kosten’. Op basis van de behaalde scores is bepaald welke maatregelen het meest kosteneffectief zijn. Deze lijst is aangevuld met maatregelen die niet op basis van deze score, maar om andere redenen meegenomen dienen te worden. Het gaat dan om relatief dure maatregelen waarvan een groot stimulerend effect op het fietsgebruik wordt verwacht, vanwege de innovatieve waarde of vanwege de continuïteit in het beleid.

Voorbeeld stap 3
‘Fietsmiles’ in de gemeente Dalfsen scoort hoog. De maatregel sluit goed aan bij de doelgroep en kan een substantiële bijdrage leveren aan een betere bereikbaarheid, terwijl de kosten gering zijn. Het voortzetten van het asfalteringprogramma van fietsroutes in de gemeente Deventer kent daarentegen geen specifieke doelgroep, is relatief duur en scoort daarmee relatief laag. Asfalteren van fietsroutes is echter wel een vervolg van eerder provinciaal beleid. De maatregel wordt daarom alsnog geselecteerd.

Stap 4: Integrale afstemming maatregelen
De geselecteerde maatregelen zijn in een tweede consultatieronde afgestemd met gemeenten en nader geconcretiseerd. Eén van de onderwerpen was de wijze waarop de samenwerking tussen provincie en gemeenten vorm krijgt. Ook is nagegaan welke relatie er is met andere provinciale programma’s, zoals verkeersveiligheid KEM en beheer en onderhoud.

Voorbeeld stap 4
De gemeente Kampen wil graag de elektrische fiets stimuleren. Dit loopt ook al in het convenant ‘Mobiliteitsmanagement Netwerkstad Zwolle-Kampen’. De provincie zal in overleg met de Mobiliteitsmanager en de gemeenten Kampen en Zwolle een strategie moeten bepalen voor planvorming en realisatie. Naar buiten toe zal een eenduidige boodschap moeten komen waarbij de verschillende strategische niveaus elkaar aanvullen.

Stap 5: Zoeken naar samenhang en synergie
De overgebleven maatregelen zijn geordend naar de thema’s infrastructuur, fiets in de keten en promotie(campagnes). Dit maakt gelijksoortige maatregelen zichtbaar. Voor de definitieve invulling van het investeringsprogramma is nagegaan in hoeverre individuele maatregelen samenhangen en op welke wijze synergie kan worden bereikt. Ook is daarbij nagegaan welke rol de provincie daarin kan spelen. Het investeringsprogramma is hierdoor opgesplitst in:

1. Maatregelen die de provincie zelfstandig oppakt. Bijvoorbeeld nadrukkelijke aandacht voor de fiets bij de planstudie N340, Zwolle-Ommen.

2. Maatregelen die gemeenten en provincie samen oppakken. Bijvoorbeeld een promotiecampagne, waarbij vanuit een centrale boodschap wordt gewerkt aan verschillende promotionele activiteiten en waarbij – nog te ontwikkelen – modules beschikbaar komen voor gemeenten.

3. Maatregelen die de gemeente oppakt en afstemt met de provincie, waarbij de provincie mogelijk een ondersteunende rol speelt.

Voorbeeld stap 5
Een aantal gemeenten wil maatregelen nemen op het gebied van mobiliteitsmanagement. Door een gezamenlijke aanpak kunnen schaalvoordelen worden bereikt en kan één aanpak worden ontwikkeld die herkenbaar is voor werkgevers en werknemers. De provincie kan dit organisatorisch versterken door bijvoorbeeld de inzet van haar mobiliteitsmanager.

Stap 6: Vaststellen rollen en wijze van financiering
De provincie kan en wil de kosten voor het uitvoerings- en investeringsprogramma niet alleen dragen, maar samen met gemeenten in west Overijssel. Daarvoor is een cofinancierings-systematiek ontwikkeld voor de gemeentelijke projecten. Prioritering – de hoogte van de cofinanciering – vindt plaats op basis van de bijdrage aan provinciale doelen, de hoogte van de kosten, eventuele samenhang en synergie, de urgentie, en de mate van innovatie. Zo kan een maatregel punten scoren per bijdrage aan een eerder genoemd doel (maximaal drie punten) en ‘bonuspunten’ scoren voor synergie en innovatie. De maatregelen die het hoogst scoren krijgen 80 procent subsidie van de provincie, de ‘middenmoot’ krijgt 50 procent subsidie, en de laagste scores 20 procent subsidie. Doorrekening van het gehele maatregelenpakket op deze criteria geeft inzicht in de totale investeringen die met realisatie gemoeid zijn, en in de financiële bijdrage die gemeenten en provincie leveren. Voor het uitvoeringsprogramma 2010-2011 gaat het in totaal om 9,4 miljoen euro, waarvan de provincie 7,1 miljoen financiert. Voor de periode 2012-2025 wordt uitgegaan van een bedrag van in totaal 33,6 miljoen euro, met een bijdrage van 23,9 miljoen euro van de provincie.

Voorbeeld stap 6
Het realiseren van een fietssnelweg tussen Zwolle en Kampen scoort op genoemde criteria goed en wordt daarom voor 80 procent gefinancierd uit middelen van de provincie; de aanleg van fietsrotondes in Dalfsen is meer een gemeentelijke aangelegenheid en wordt daarom voor 20 procent gefinancierd.

Aan de slag
Dit project heeft geresulteerd in een gevarieerde en goed onderbouwde lijst met maatregelen om het (utilitair) fietsgebruik in westelijk Overijssel de komende jaren te stimuleren. Waar in het verleden de nadruk sterk lag op de aanbodzijde (‘asfalteren’), is in dit project nadrukkelijk aandacht voor gedragsverandering bij de groep ‘potentiële’ fietsers (‘vraagzijde’). Financiering van maatregelen in het uitvoeringsprogramma 2010-2011, is inmiddels bestuurlijk gefiatteerd. Het investeringsprogramma voor de periode daarna biedt een goed kader voor de onderhandelingen over investeringen in de fiets, die de nieuwe coalitie na de verkiezingen voor de Provinciale Staten in maart 2011 gaat voeren. Gedurende het project zijn regionale partners voortdurend betrokken geweest, onder meer via het zogenaamde ‘Overijssels Platform Fiets’ (OPF). Daardoor is er goed gebruik gemaakt van lokale expertise en is er goede afstemming met gemeentelijk beleid. Ook is hiermee de samenwerking verbetert en het draagvlak voor provinciaal (fiets)beleid vergroot. De komende jaren worden de resultaten van gerealiseerde maatregelen, uitgebreid gemonitord en geëvalueerd.

















- - - -